Op het blog van Maarten Wisse is een interessante discussie gaande over de vraag in hoeverre een preek heil bemiddelt. Is preken het ‘Woord van God’ spreken? Maarten schreef hierover in reactie op een artikel van Matthijs Schuurman. Ik lever graag mijn bijdrage aan het gesprek en doet dat maar hier. Omdat ik mijn eigen punt wil maken en omdat de ruimte voor commentaar meestal wat begrensd is.
Ik ben het op één punt met Maarten eens, als het gaat om het lutherse tegoed – belangrijk genoeg om dat nog eens te herhalen. Verder, hoewel ik zijn visie deel dat de kerkdienst niet exclusief het heil bemiddeld (daarover schreef ik ook al hier), denk ik dat hij zich iets te gemakkelijk afmaakt van het eigene van de liturgie. En tot slot is er een element in de hele discussie dat tot op heden ontbreekt: de rol van de hoorder. Nu is dat laatste niet alleen mijn eigen ‘specialiteit‘, maar ik denk dat prediking zonder eigen rol van de hoorder niet goed begrepen kan worden als heilsbemiddeling. Drie punten dus, het is bijna een klassieke preek.
Christus en de preek
Maarten Wisse wijst op een belangrijk tegoed in het lutheranisme: Preken is wijzen op Christus. De bekende predella, het onderste deel van het altaarstuk in de Stadtkirche te Wittenberg, toont ons Luther die met zijn ene vinger in de bijbel wijst en met de andere Christus aan het kruis. Daarmee is ook gelijk de kern aangewezen van Luthers omgang met de bijbel: we lezen de bijbel met het oog op Christus. Niet omdat de bijbel maar op één manier uitgelegd kan worden, maar omdat het in de verkondiging vanuit de bijbel toch vooral gaat om de aanwezige Christus. Als prediking ‘Woord Gods’ is, dan is het omdat Christus present is. Niet omdat de predikant probeert zo goed mogelijk probeert de bijbel na te spreken. Ik denk dat Wisse hier wel een punt heeft: is de gereformeerde traditie niet vatbaar voor de kritiek dat de woorden van de prediker te snel worden opgevat als Woord van God? Je krijgt dan allerlei nuanceringen, in de trant van ‘voorzover hij de bijbel goed heeft uitgelegd’ is de preek ‘Woord van God’. Maar dan verschuif je het probleem toch wel wat naar de autoriteit van de bijbel en poneer je een derde instantie die dan moet uitmaken of de preek wel ‘bijbels genoeg’ is.
De liturgie en het kopje koffie
Maar dan gaat het ineens snel. Christus is overal, dus ook onder een goed gesprek bij de koffie. Daar is de preek niet exclusief in. Ik denk dat hier een misverstand zit. Misschien dat predikanten kerkdiensten graag exclusief zien, als plek waar het Woord van God aanwezig is. Wellicht. Maar ik ken maar weinig theologen die serieus van mening zijn dat de presentie van Christus is opgesloten in de kerkdienst. Ook in het gesprek bij de koffie, zelfs zonder koffie bij het schoolhek, kan Gods woord gesproken worden. Tegelijkertijd hangt in de liturgie wel de verwachting dat deze plek er minstens voor bedoeld is. Is de liturgie niet de ruimte die in woorden, gebaren, en vormgeving speciaal is ingericht om ontvankelijkheid te scheppen en te verwijzen naar de Levende Christus? En als dat van de liturgie gezegd wordt, dan maakt dat de preek niet de exclusieve plek, maar toch minstens tot een unieke plek. De enige die als zodanig is ingericht. Zowel het voorgeschreven script en de vrije performance, om twee begrippen te gebruiken waar Immink zich van bedient in zijn laatste boek, geven de liturgie een godsdienstige gerichtheid. Die zich onder de koffie, wellicht wel veel verrassender, maar toch als onbedoeld voordoet. Dat laatste zou dan een geval van religieuze serendipiteit kunnen zijn, vaak veel boeiender dan een voorgeschreven kerkdienst maar dus ook anders van karakter. Dat in de liturgie de preek voorafgegaan wordt door een lezing uit de bijbel, en dat de prediker iets gaat spreken dat met God van doen heeft, is daarmee nog geen exclusieve gelijkstelling van preek en woorden van God. Het mensenwoord van de prediker in de preek kan echter wel als woord Gods klinken.
Geen prediking zonder hoorders
En dat ligt niet alleen aan de prediker, maar net zo goed aan de hoorders. Zij zijn opmerkelijk afwezig in de discussie tot op heden. Zijn zij ontvangers of deelnemers? Dit laat zich goed illustreren aan de hand van het sacrament. In de gereformeerde traditie ligt de nadruk niet op de elementen (brood en wijn), maar op de handeling (eten en drinken). Geen consecratie dus, maar communicatie. Dit onderscheid lijkt me ook relevant te zijn als de vraag gesteld wordt of de preek een soort sacrament is. Niet de woorden van de prediker veranderen op een of andere manier in woorden van God, maar de woorden van de prediker worden door de hoorders wel als woorden van God ontvangen. Daarmee komt het geloof van de hoorder in beeld, die in geloof ontvangt of ongeloof verwerpt. Of in de preek woorden van God gesproken worden is maar de helft van de vraag; of er Woord van God gehoord wordt doet er evenzeer toe. Ik stem Maarten Wisse toe dat het begrip ‘sacrament’ problematisch is om dat te gebruiken voor de preek. Maar als we er toch iets mee willen aanduiden van ‘bemiddeling van heil’, dan zijn hoorders niet ‘ontvangers’ aan het einde van een keten, maar participanten in een praktijk. Preken is een interactie van spreken en horen, en het is ín die interactie dat er woorden van God klinken. En ik denk dat de gereformeerde traditie de werking van de heilige Geest veel meer heeft verbonden met het horen dan met het spreken. En dat voor de Lutherse traditie de gemeente veel belangrijker was dan in discussie tot op heden: links, op de predella.


Beste Theo,
Een reactie op jouw reactie in een paar puntjes:
- Ik denk dat er expliciet en impliciet heel veel theologie en kerkelijkheid is die van de gedachte uitgaat of de gedachte voedt, dat je toch vooral in de kerk moet zijn om Christus te vinden.
- Je notie van de hoorder vind ik het interessantst. Gekscherend zou je kunnen zeggen dat wat mij betreft de hele preek alleen maar over hoorders gaat, want de voorganger is voor mij allereerst een hoorder. Maar dat is een beetje te gemakkelijk. Ik waardeer enorm je aandacht voor de hoorder en voor het effect van woorden op hoorders en de diversiteit daarvan. We zouden nog veel meer empirisch onderzoek kunnen doen naar hoe kerkelijke praktijken door gelovigen verwerkt worden.
- Wat ik me wel afvraag, is of zelfs als je de hoorder meeneemt, het doel van de preek dan is dat de hoorder het gevoel heeft dat God tot hem heeft gesproken. Mogelijk wel, maar dan toch niet zo of niet per se zo dat de woorden van de predikant de woorden van God waren.
- Een zorg die ik heb bij de manier waarop jij de hoorder een rol geeft in het proces, is of je niet de descriptieve en normatieve dimensie van homiletiek door elkaar haalt. Enerzijds is het natuurlijk zo dat hoorders altijd op hun manier iets maken van wat er wordt gezegd. In die zin is het betekenis geven aan de tekst door de hoorder integraal onderdeel van het preekgebeuren. Anderzijds denk ik toch dat het voor een predikant verschil maakt of zij/hij zo naar het maken van een preek kijkt, namelijk als een huis om in te wonen. Dan denk ik dat de gedachte dat de preek Woord van God is, een luisterhouding stimuleert die ertoe leidt dat hoorders eerder in een gemeubileerd huis denken binnen te komen dan in een huis waar positief voor hen nog iets in te richten valt. Vraag jouw punt rond de rol van de hoorder niet om een positieve homiletiek voor de kant van de predikant, om zo te leren preken dat er ruimte ontstaat om in dat huis een plek te vinden? Bij God in huis wonen is zo eenvoudig niet! In je proefschrift keek ik hiervoor nog eens, maar ik dacht aan het einde vooral richtlijnen voor hoorders te vinden, terwijl ik de indruk heb dat er vooral richtlijnen voor voorgangers nodig zijn…
Dag Maarten, voor het gemak nummer ik je gedachtenstreepjes even:
1. Moet je van de weeromstuit de presentie van Christus in de kerkdienst dan maar relativeren? Juist in een cultuur waarin de afwezigheid van God dominant genoeg is? Nu zul jij dat niet willen, maar de scepsis tegen de institutionele dimensie van het geloof (waaronder de kerkdienst) lijkt bon-mots te zijn onder christenen vandaag.
2. Wat de hoorders betreft: het gaat niet om het ‘verwerken’ van geloofspraktijken, maar meer om de constitutieve rol van de gelovige voor de praktijk zelf. Het empirische project heeft wat mij betreft een ontologische dimensie: de geloofspraktijk bestaat niet uit een zender (predikant) en ontvanger (hoorder), maar bestaat uit de interactie tussen beiden waarin geloof gestalte krijgt, ontstaat en in stand gehouden wordt. Daarmee hoeft de voorganger niet op te gaan in de hoorder – ieder z’n (sociaal-religieuze) rol in de praktijk – maar de praktijk zelf is meer dan wat de voorganger doet. Dat laatste is ook een onuitgesproken gedachte onder veel theorievorming m.b.t. christelijke praktijken. Misschien dat ik dat wat probeer te ‘deconstrueren’. De presentie van Christus wordt dus niet bemiddeld door de voorganger, maar in de praktijk die voorganger en hoorders delen.
3. Daarmee komt je derde punt te vervallen, lijkt me. Want je spreekt hier nog steeds vanuit een verbinding ‘woorden van God’ en ‘woorden van de voorganger’. Terwijl mijn punt is dat woorden van God gehoord worden in de ene praktijk van spreken en luisteren. Meer pneumatologisch: de Geest werkt in de ‘ruimte’ tussen de twee bewegingen waar een conversatie uit bestaat, locutie en uptake (Austin). Daarmee komt ‘betekenis’ niet los te hangen, zoals in sommige postmoderne esthetische benaderingen van de preek, maar blijft het gebonden aan het spreken zonder daar mee samen te vallen.
4. Mijn doel is om tot een adequate (beschrijvende) reconstructie van de geloofspraktijk te komen. In het laatste deel van mijn boek zet ik dan wel een stap van het descriptieve naar het normatieve, maar niet zonder de twee te onderscheiden. Dat de wat jij ‘positieve homiletiek’ noemt, niet verder is uitgewerkt, hangt ook samen met mijn visie op de descriptieve (theoretische) aard van praktische theologie. Dat het eenvoudig zou zijn om zo te preken dat de hoorder in het luisteren thuis kan komen in het evangelie, heb ik overigens allerminst willen suggereren. Maar goed, misschien dat ik jou op dit punt niet goed begrijp.
Groet!
Beste Theo,
Wat je laatste punt betreft: ik denk dat praktische theologen zo snel mogelijk op moeten houden om puur descriptief te willen zijn. Er ligt een gapend gat voor hun neus dat door alle sociale wetenschappen in andere domeinen, met graagte wordt betreden: advies! Johan Graafland heeft mij pas geleden als econoom compleet van de normativiteitsfrustratie in dogmatiek of theologie afgeholpen. Economen zeggen gewoon: wij doen beleidsrelevant onderzoek. Krek, dat doen systematische of praktische theologen ook, tenminste, als ze bereid zijn hun al te normatieve reflexen wat te matigen en het beleidsrelevante van hun werk te erkennen!
Ik doe overigens idd mee aan de bon-mot tegen het institutionele van de kerk. Jij wilt de kerkdienst graag als een veilige met God gevulde plek zien in een boze wereld, maar als je om je heen kijkt vind je God overal, in film, muziek, literatuur, tattoos. Kerk, dat is een probleem, maar God niet. Dat halen kerkmensen nog altijd door elkaar. Ze zijn ook geneigd om God buiten de kerk niet serieus te nemen. Zie mijn hoofdstuk over buitenkerkelijk christendom: http://pmwisse.blogspot.com/2011/12/buitenkerkelijk-christendom-boek.html
Ik denk dat ik wel ongeveer snap waar jouw hoordersgerichte benadering over gaat en ik ben er zeker happy mee. Ik ga proberen tijd te vinden om de rest van je boek te lezen.
Maarten,
Dit gesprek gaat inmiddels twee andere boeiende kanten op: de aard van de institutionele kant van het christendom – die we kennelijk anders waarderen. Nu, dat lijkt me iets om (elders?) over door te gaan. Je hoofdstuk ga ik zeker lezen, al heb ik daar deze weken geen tijd voor om me in te verdiepen.
En dan nog de normativiteit van de praktische theologie. Tja. Ik heb daar wel een klein verhaaltje bij. Er was eens een discipline in de theologie die de vragen naar de praktijk graag een afdeling verder deponeerde. Daar zaten immers hun buren, de praktische theologen. Zijzelf deden het denkwerk, en de buren moesten het maar doorvertalen naar de praktijk. Dat was hun vak. En die praktisch theologen probeerden van alles. Eerst gingen ze de theologische ideeën maar gewoon toepassen. Dat liep niet helemaal lekker. Toen waren er gelukkig de sociale wetenschappen. Hun onderzoeksresultaten konden de PT-ers mooi gebruiken en die dan in een theologisch vat gieten. Dat ging even goed, totdat het inzicht begon te dagen dat praktisch theologie toch ook vooral een eigen veld als object had. Voorzichtig begonnen de praktisch theologen zelf hun eigen onderzoek te doen. Ze waren wat geschrokken van hun aanvankelijk al te snelle normatieve en strategische teksten en vonden dat ze eerst maar heel goed de praktijk in kaart moesten brengen, want ja – de religieuze praktijk heeft nu eenmaal een eigen aard, in vergelijking met vergelijkbare sociale en psychologische situaties. Die descriptieve taak van de praktische theologie is nog maar jong. Inmiddels worden ze in het hok er naast wel een beetje onrustig. Want waarom doen die praktisch theologen niet wat ze moeten doen? Die moeten niet nadenken, maar beleid ontwikkelen…
Een beetje een vertekening. Bovendien is het veld van de theologie niet meer zo eenvoudig op te delen. Terwijl, en dat geef ik je onmiddellijk toe, de ‘toegepaste theologie’ wat achterop geraakt is. Zonder dat op het bordje van de HBO theologie te leggen, al zou daar wat voor te zeggen zijn, zouden ST-ers en PT-ers misschien goed samen kunnen werken in het zoeken naar wat jij noemt ‘beleidsrelevantie’?
Groet!
Ik zit net Zwanepol, Een menselijke God te lezen en bedenk nu dat een verklaring voor het ontbreken van aandacht voor de hoorder zou kunnen zijn dat in lutherse theologie aandacht voor een onafhankelijk subject dat zich de woorden ‘toe-eigent’ in de verdrukking kan komen. Zoveel willend en kiezend subject is er bij Luther in ieder geval niet. Uiteindelijk zou je haast kunnen zeggen dat bij Luther Christus in ons, als de Geest, voor ons gelooft.
Waarmee maar gezegd is, dat het zeker zin heeft om aspecten van christologie en pneumatologie goed te onderscheiden. Dat is althans mijn toepassing hiervan.
En voor willend subject heeft de gereformeerde traditie weer wat meer ruimte, althans als we http://bit.ly/vdRL1E moeten geloven. Maar ik vermoed dat we dan weer een hele nieuwe discussie openen, over Scotus en sychrone contingentie enzo…